
Algemeen: Uitgaande van bestaand onderzoek heeft Durnin in 1967 een samenhang gevonden tussen de vetmassa en de dikte van een aantal onderhuidse vetlagen.
Bij jonge mensen bevindt zich namelijk ongeveer 50% van de totale hoeveelheid lichaamsvet onder de huid! Hiermee rekening houdend kan men op eenvoudige wijze de totale vetmassa schatten door op een viertal plaatsen van het lichaam, die min of meer representatief zijn voor het geheel, op gestandaardiseerde wijze en met een gestandaardiseerd apparaat, huidplooi-dikten te meten.
De hoeveelheid lichaamsvet wordt weergegeven als percentage van het totale lichaams-gewicht! Dit percentage kan men van de tabel aflezen aan de hand van de som van de vier gemeten huidplooidikten.
Ouderen neigen progressief tot opslag van vet in de buik- en borstholte, waardoor zich bij hen vaak aanzienlijk minder dan 50% van het totale lichaamsvet onderhuids bevindt.
Bij vrouwen bestaat zoals bekend meestal een geheel andere vetverdeling over het lichaam dan bij mannen.
De onderstaande tabel, die om bovenstaande redenen differentieert naar leeftijd en geslacht, is na uitgebreid onderzoek opgesteld door Durnin en Womersley.
Velen benadrukken het belang van een dergelijke meting als routine.
Tabel met streefwaarden voor het percentage lichaamsvet die kunnen worden aangehouden:
| Mannen: | 17 – 29 jaar: 15% 30 – 39 jaar: 17,5% 40 – 49 jaar: 20% 50 en ouder: 20% |
| Vrouwen: | 17 – 29 jaar: 25% 30 – 39 jaar: 27,5% 40 – 49 jaar: 30% 50 en ouder: 30% |
Lokaties voor de huidplooi meting zijn: